Het Schaijkse dialect kent de woorden stofvèrreke en keerkötje,
het zijn prachtige woorden. Stofvèrreke
letterlijk vertaald naar standaard
Nederlands wordt ‘stofvarken’ en het staat zelfs in de Dikke Van Dale. Keerkötje is een samenstelling van ‘keren’
(vegen) en ‘keu’ (big, varken). Beide woorden zijn in het Schaijkse dialect gebruikt
voor een handveger, een stoffer.
Ik ben natuurlijk (nog) helemaal geen etymoloog of
woordvorser. Dit zijn gewoon maar wilde ideeën van een stagiair die de hele dag
bezig is met dialectwoorden. Daarbij laat ik me graag verrassen door verbanden
en associaties die zich aan mij opdringen. Het Schaijks is het eerste dialect
waarmee ik aan de slag ging, dus alles wat ik hier beweer kan ook wel voor meer
Brabantse dialecten gelden - of niet.
Maar goed, wat doen die varkentjes toch in die stoffers? Daarover
heb ik een theorietje. Het verkleinwoord van stoffer is stoffertje, de uitgang -tje
is in Brabant -ke, dus dat wordt stofferke. Nu heeft het Schaijks onder andere
als eigenschap woorden te verlengen, door dubbele klanken als twee aparte klanken
uit te spreken. Spreek stofferke eens hardop uit en zorg er daarbij voor dat je
de f twee keer uitspreekt... wat hoor je? Juist: stof-vèrke. Dan is het nog
maar een kleine stap naar de associatie met een varken en dan kan het woord stofvèrreke ontstaan. Hiermee is het
eerste varken in de stoffer gekropen.
En nu komt het leuke deel van mijn theorie: ik denk dat het
woord keerkötje ontstaan is op basis
van de associatie met een varken door de Schaijkse uitspraak van stofferke. Zo’n
ding ìs gewoon een of ander varkentje, dus elk woord voor varken kan ervoor
worden gebruikt...in dit geval dan een keutje om het stof mee te keren.
Aan het Meertens
Instituut in Amsterdam wordt met een team van stagiairs en vrijwilligers onder
leiding van prof. dr Nicoline van der Sijs gewerkt aan de totstandkoming van
een elektronische Dialectwoordenbank (eWND).